Blog

Hoe beoordeel je of een object (geen) inbreuk op auteursrecht maakt?

In zaken over intellectuele eigendom, zoals auteursrecht, merkenrecht of handelsnamenrecht, gaat het vaak over de vraag of er inbreuk is gepleegd op die rechten. Het oordeel of er sprake is van zo’n inbreuk is aan de rechter. Vaak is dat oordeel in hoge mate subjectief, en meestal zijn er zowel goede argumenten te geven dat er wel sprake is van een inbreuk als dat er geen sprake zou zijn van een inbreuk. Het is daarom altijd belangrijk om de rechter te overtuigen dat jouw argumenten de doorslag moeten hebben. Als bedrijf of organisatie wil je weten of je een kans van slagen hebt. Is er sprake van inbreuk op auteursrecht?

Auteursrecht

Lijken de objecten teveel op elkaar?

Simpel gezegd komt het in alle intellectuele-eigendomsrechtszaken in feite neer op één vraag: Lijkt het teveel op elkaar? Of het nu gaat om broncode, software, afbeeldingen, logo’s, bedrijfsnamen of ontwerpen: het gaat om een vergelijking van het origineel met de vermeende namaak. Welke punten van overeenstemming en welke punten van verschil bestaan er tussen de objecten?

Bij inbreuk: overeenstemming en bescherming

Wil je aantonen dat er sprake is van een inbreuk, dan dien je de punten van overeenstemming te benadrukken, zeker als deze opvallen, overheersen of in het oog springen. Van die punten dienen dan beschermende kenmerken te worden benoemd. Is het bijvoorbeeld nieuw, oorspronkelijk, creatief of onderscheidend? Eventuele verschillen wil je dan juist wegzetten als ondergeschikt of onopvallend. Welke vereisten gelden voor de bescherming van het object verschillen naar gelang het ingeroepen recht.

Bescherming door auteursecht

Zo biedt het auteursrecht bescherming aan “werken”. Er moet sprake zijn van een bepaalde mate van creativiteit die bescherming verdient. Het criterium om te bepalen of er voldoende creativiteit is wordt in Nederlands recht omschreven als het “eigen, oorspronkelijk karakter en het persoonlijk stempel van de maker”. Dit houdt, kort gezegd, in dat de vorm niet ontleend mag zijn aan die van een ander werk. Dat betekent dat het werk niet gekopieerd mag zijn. Er moet voldoende afstand worden genomen van werken die al bestaan.  Het voortbrengsel moet een vorm hebben die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes die een voortbrengsel zijn van de menselijke geest.

Overigens is de terminologie in Europees (geharmoniseerd) recht bijna hetzelfde. De Europese toverformule is dat er sprake moet zijn van een schepping van de geest, oftewel om materiaal dat oorspronkelijk is in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de auteur ervan. Via de keuze, schikking en combinatie van elementen op een oorspronkelijke wijze kan de auteurs uitdrukking geven aan zijn creatieve geest om tot een resultaat te komen dat een intellectuele schepping vormt. In de praktijk blijkt er al gauw sprake te zijn van de mate van creativiteit die bescherming verdient. Toch is het aan te bevelen om goed te onderbouwen waarom er sprake is van voldoende mate van creativiteit en welke trekken dat dan zou betreffen.

De vereiste creativiteit kan beschreven worden als, bijvoorbeeld, nieuw, verrassend, spannend, opvallend, in het oog springend, ongebruikelijk, creatief, intrigrerend en dergelijke. Hoe opvallender (dominant, overheersend, in het oog springend, gezichtsbepalend) en hoe meer overeenstemmende trekken creatief zijn, hoe sterker de totaalindruk te weinig verschillen om tot een auteursrechtinbreuk te komen.

Inbreuk op auteursrecht

Immers, of een beweerdelijk inbreukmakend werk inbreuk maakt is afhankelijk van de vraag (of beter gezegd: toverformule) of het werk in zodanige mate de auteursrechtelijk beschermde trekken van het eerdere werk vertoont dat de totaalindrukken die de beide werken maken te weinig verschillen voor het oordeel dat het beweerdelijk inbreukmakende werk als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt. Althans, deze maatstaf geldt voor de beoordeling van auteursrechtinbreuk op industriële vormgeving en tv-formats. Kort gezegd: lijken de betreffende beschermde elementen op elkaar? Hoe meer auteursrechtelijk beschermde trekken beide objecten gemeen hebben, hoe meer het voor de hand ligt dat de totaalindrukken te weinig van elkaar verschillen. Er moet gekeken worden naar de totaalindruk. Dat is simpel gezegd de kwalificerende eigen waarnemening, zonder in te zoomen op specifieke onderdelen.

Bij computerprogrammatuur is de vergelijking van de totaalindrukken niet relevant. Dan gaat het slechts om de vraag of auteursrechtelijk beschermde trekken zijn overgenomen.

Hoe dan ook, bij het benoemen van de auteursrechtelijk beschermde trekken is het dus aan te bevelen zoveel mogelijk overeenstemmende trekken als auteursrechtelijk beschermde trekken te benoemen.

Overigens kan ook een combinatie van op zichzelf gebruikelijke kenmerken als zodanig wel een auteursrechtelijk beschermd kenmerk zijn. Juist een combinatie van voor de hand liggende elementen kan als voldoende creatief worden beschouwd om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te komen. Overigens kan ook een functioneel kenmerk dat niet noodzakelijk is voor het verkrijgen van een technisch effect ook beschermd zijn.

Bij geen inbreuk: verschillen en gebrek aan bescherming

Als men juist wenst te beargumenteren dat er geen sprake is van inbreuk, dan wenst men juist de punten van verschil te benoemen, en dat die opvallend, overheersend of in het oog springend zijn. Zijn er punten van overeenstemming, dan wens je die als niet-beschermd aan te wijzen. Daarvan kan sprake zijn als de overeenstemmende elementen bijvoorbeeld technisch zijn bepaald, beschrijvend zijn of gebruikelijk in stijl, mode of trends. Ook kunnen de overeenstemmende elementen worden weggeschreven als ondergeschikt of onopvallend.

Geen bescherming door auteursrecht

Het auteursrecht biedt bijvoorbeeld geen bescherming voor voortbrengselen die geen eigen, oorspronkelijk karakter en het persoonlijk stempel van de maker dragen. Daarvan kan sprake zijn als de vorm is ontleend aan die van een ander werk. Ook banale of triviale vormen, waarachter geen creatieve arbeid van welke aard dan ook valt aan te wijzen, valt buiten de bescherming. Voor het niet-aanwezig achten van auteursrechtelijke bescherming moet meer worden gesteld dan voor het bewijzen van bijvoorbeeld voldoende mate van creativiteit. Het is raadzaam om goed te onderbouwen waarom er geen sprake zou zijn van voldoende creativiteit, en ook welke elementen dit dan zou betreffen. Denk hierbij aan trekken die technisch bepaald, gebruikelijk, bekend of voor de hand liggend zijn.

Geen inbreuk op auteursrecht

Immers, hoe minder auteursrechtelijk beschermde trekken de objecten gemeen hebben, hoe minder het voor de hand ligt om te weinig verschillende totaalindrukken aan te nemen. Het beweerdelijk inbreukmakende werk moet immers een zodanige mate van het eerdere werk vertonen dat de totaalindrukken die de beide werken maken te weinig verschillen voor het oordeel dat het beweerdelijk inbreukmakende werk als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt.

Sterk overeenstemmende totaalindrukken is niet voldoende om tot inbreuk te concluderen. De overeenstemming kan namelijk het gevolg zijn van niet-beschermde trekken. Dan is er van een inbreuk geen sprake.

Bij het benoemen van de overeenstemmende trekken dient dus zo min mogelijk als auteursrechtelijk beschermde trekken te worden gekwalificeerd. Kenmerken die technisch bepaald zijn (“datgene wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een technisch effect”), gebruikelijk zijn of door mode of stijl worden ‘gedicteerd’ zijn niet auteursrechtelijk beschermd. Een verwarringwekkende stijlnabootsing kan overigens nog wel onrechtmatig zijn (maar geen inbreuk op auteursrecht).

 

Gerelateerde berichten