Blog

Hoe krijg je inzage in bewijsmateriaal bij een schending van bedrijfsgeheimen?

Sinds eind vorig jaar zijn bedrijfsgeheimen wettelijk beschermd. Op 23 oktober 2018 is namelijk de Wet bescherming bedrijfsgeheimen in werking getreden. Dit heeft, kort gezegd, tot gevolg dat bedrijfsgeheimen die aan de in die wet gestelde vereisten voldoen in zekere mate beschermd worden tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (zie blog en blog).

Een kleine maand voordat deze wet in werking trad, namelijk op 28 september 2018, deed de Hoge Raad uitspraak in een zaak die ook betrekking had op bedrijfsgeheimen. Ondanks dat de nieuwe wet nog niet is toegepast in deze zaak, blijft de uitspraak wel relevant onder die wet.

De Hoge Raad bepaalt onder welke voorwaarden verlof wordt verleend tot inzage in in beslag genomen bewijsmateriaal. Ondanks dat een bedrijfsgeheim geen intellectueel eigendomsrecht (IE-recht) is, oordeelt hij dat een bedrijfsgeheim op dit punt daarmee wel wordt gelijkgesteld. Interessant!

Wat is er aan de hand?

De zaak is qua feiten vrij complex, maar niet alles is even relevant.

Simpel gezegd, betreft de zaak een geschil tussen enkele ondernemingen die zijn gespecialiseerd in o.a. de ontwikkeling en productie van emulsiepolymeerproducten. Daarmee kan bijvoorbeeld verf en autolak worden gemaakt. Het gaat om The Dow Chemical Company (Dow), haar dochteronderneming Rohm and Haas Company (R&H) en verschillende entiteiten van Organik.

Dow stelt dat Organik bedrijfsgeheimen over haar polymeren onrechtmatig heeft verkregen en gebruikt. Vanaf 2008 hebben twee ex-werknemers van R&H gewerkt voor Organik. Na 2009 heeft Organik twee polymeerproducten op de markt gebracht die sterke gelijkenis vertonen met die van Dow. Volgens Dow is dit niet toevallig, en komt dit doordat Organik over bedrijfsgeheimen van Dow zou beschikken. Sterker nog: het zou onmogelijk zijn om deze producten te ontwikkelen zonder de bedrijfsgeheimen van Dow.

In mei 2013 start Dow een octrooi-inbreukprocedure bij de U.S. International Trade Commission (ITC). Vervolgens vernietigt Organik bewijsmateriaal o.a. door een harde schijf met een hamer kapot te slaan en bij het afval te gooien, meer dan 2.700 bestanden van een laptop te verwijderen en ten minste 20 gegevensdragers “verloren te laten gaan”.

Omdat Dow vermoedt dat er nog bewijsmateriaal beschikbaar is, besluit zij op 6 mei 2015 bij de (Nederlandse) voorzieningenrechter een verzoek in te dienen tot het leggen van bewijsbeslag. Het verlof wordt door de voorzieningenrechter verleend.

Echter, dat bewijsbeslag is gelegd, betekent nog niet dat daarin ook inzage wordt gegeven. Daarvoor is een aparte inzageprocedure vereist. Dow start zo een procedure, en uiteindelijk beslist de Hoge Raad onder welke voorwaarden deze inzage wordt verleend.

De voorwaarden in niet IE-zaken

De voorwaarden voor het verkrijgen van verlof tot inzage in niet IE-zaken volgen uit art. 843a Rv:

  1. degene die inzage vordert dient daarbij een rechtmatig belang te hebben;
  2. het inzage verzoek dient te zien op bepaalde bescheiden; en
  3. er dient sprake te zijn van een rechtsbetrekking waarbij degene die inzage vordert partij is.

Indien aan deze drie vereisten is voldaan, dan wordt inzage verleend in het in beslag genomen bewijsmateriaal. Althans in niet IE-zaken.

De voorwaarden in IE-zaken

In IE-zaken ligt dit iets anders. Het eerste vereiste is in IE-zaken hetzelfde, maar het tweede en derde vereiste verschillen enigszins.

Ten aanzien van het tweede vereiste is het verzoek in IE-zaken niet beperkt tot bepaalde bescheiden, maar kan ook inzage verkregen in ander bewijsmateriaal. Bijvoorbeeld in inbreukmakende producten.

Voor wat betreft het derde vereiste geldt in IE-zaken dat daarbij (aanvullend) is vereist dat voldoende aannemelijk moet zijn gemaakt dat sprake is van een schending van een IE-recht en dat sprake is van een reëele vordering. Dit aannemelijk maken dient te gebeuren door dit met zodanige feiten en omstandigheden te stellen en met voorhanden bewijsmateriaal te onderbouwen.

Kortom: het verschil tussen niet-IE en IE

Het verschil tussen niet-IE zaken en IE-zaken ten aanzien van het verlof tot inzage is dus kort gezegd:

  • Bij inzage in IE-zaken geldt een zwaardere drempel, want de schending en de onderliggende vordering moeten voldoende aannemelijk worden gemaakt; en
  • De inzage in niet-IE zaken is beperkter, deze is namelijk beperkt tot “bepaalde bescheiden”.

De inzage bij schending bedrijfsgeheimen valt onder het IE-regime

Een bedrijfsgeheim is geen IE-recht. Je zou daarom dan denken dat een verzoek tot inzage wordt verleend als is voldaan aan de voorwaarden voor niet-IE zaken. Maar de Hoge Raad oordeelt anders.

De Hoge Raad oordeelt namelijk dat ook in het geval van schending van bedrijfsgeheimen aannemelijk moet worden gemaakt dat sprake is van een schending van bedrijfsgeheimen en van een reëele vordering. Immers, hoewel een bedrijfsgeheim geen IE-recht is, lenen de voorwaarden van het IE-regime zich wel voor de toepassing op bedrijfsgeheim. Ook al ontbreekt hiervoor een wettelijke grondslag. Dit vanwege de gelijkenissen tussen IE-rechten en bedrijfsgeheimen.

hoge raad over bedrijfsgeheimen

Tot slot

De Hoge Raad oordeelt dus zonder wettelijke grondslag dat bij de schending van bedrijfsgeheimen moet zijn voldaan de voorwaarden van het IE-regime.

Helaas wordt uit het arrest niet duidelijk wat precies de gelijkenis is tussen bedrijfsgeheimen en IE-rechten. En ook niet hoe ver die gelijkstelling gaat. Kan er bijvoorbeeld bij de schending van bedrijfsgeheimen ook inzage worden verkregen in ander bewijsmateriaal (dan bepaalde bescheiden), zoals in IE-zaken? En zijn er andere niet-IE gevallen die vanwege de gelijkenis onder het IE-regime vallen, zoals slaafse nabootsing?

Kortom, de uitspraak laat veel vragen onbeantwoord en er is nog veel onduidelijk. Wordt vervolgd!

Gerelateerde berichten