Blog

Rb. Den Haag oordeelt over bevoegdheid in merkenrechtgeschil

Op IE-Forum.nl las ik dat de Rechtbank Den Haag een vonnis in incident heeft gewezen over de internationale bevoegdheid in een ingewikkelde zaak met betrekking tot het merkenrecht. Het betreft een zaak met meerdere eisers (4) en meerdere gedaagden (16), al dan niet gevestigd in Nederland. Ook betreft het een zaak met verschillende vorderingen zowel op grond van Uniemerken (Europese merkenrechten) als op grond van Beneluxmerken. Het internationale karakter van de zaak en het feit dat het zowel Uniemerken als Beneluxmerken betreft, maakt dit een ingewikkelde zaak. Dat blijkt al vóór de inhoudelijke behandeling van de zaak, namelijk bij de bevoegdheidsvraag.

Het IPR

Het internationaal privaatrecht (hierna: IPR) is een onderdeel van het recht waar regels worden voorgeschreven voor internationale privaatrechtelijke geschillen. Een belangrijk onderdeel van het IPR is het bevoegdheids- of jurisdictierecht. Het IPR is in veel gevallen te vinden in verdragen en in verordeningen. In deze uitspraak staat de EEX-II-Verordening (ook wel Brussel II-bis Verordening) centraal. De EEX-II-Verordening regelt onder meer welke rechter bevoegd is in een internationaal (privaatrechtelijk) geschil.

Het geschil

Deze zaak gaat over de vermeende inbreuk op de merkenrechten van eisers. Eisers vorderen in de hoofdzaak onder meer een verklaring voor recht dat inbreuk is gemaakt op haar merkenrechten en afdracht van de door gedaagden met de inbreuk genoten winst. Eisers zijn niet in Nederland gevestigd, maar in respectievelijk Frankrijk, Polen en het Verenigd Koninkrijk. Vandaar het internationale karakter van de zaak.

Bevoegdheidsincident

Een van de gedaagden (hierna: Gedaagde X) is net als eisers ook niet in Nederland gevestigd. Gedaagde X heeft daarom in de zaak een bevoegdheidsincident opgeworpen. Dat betekent dat de rechter voor een inhoudelijke behandeling van de zaak eerst zal moeten vaststellen of hij al dan niet bevoegd is. In dit vonnis beslist de rechtbank over het bevoegdheidsincident.

Algemene bevoegdheidsregel

De algemene bevoegdheidsregel is opgenomen in artikel 4 EEX-II-Verordening:

Artikel 4

  1. Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. 2. Voor degenen die niet de nationaliteit bezitten van de lidstaat waar zij woonplaats hebben, gelden de regels voor de rechterlijke bevoegdheid die op de eigen onderdanen van die lidstaat van toepassing zijn.

Met andere woorden, een gedaagde kan worden opgeroepen voor het gerecht van de lidstaat waar zij woonachtig/gevestigd is. Zoals opgemerkt, is Gedaagde X niet gevestigd in Nederland. De vraag is dus of er een andere alternatieve bevoegdheidsregel is op basis waarvan de Nederlandse rechter toch bevoegd is ten aanzien van Gedaagde X.

Alternatieve bevoegdheidsregels

Eisers hebben de bevoegdheid van de Nederlandse rechter gestoeld op de alternatieve bevoegdheidsregel van artikel 8, aanhef en onder 1 EEX-II-Verordening:

Artikel 8

Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:

  1. indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven;

Met andere woorden, de Nederlandse rechtbank is ook bevoegd indien (1) de rechtbank kan worden aangemerkt als het “gerecht van de woonplaats” van (één van) de medegedaagden en bovendien (2) sprake is van een zodanig nauwe band met de vorderingen tegen die medegedaagden.

Omdat deze alternatieve bevoegdheidsregel een uitzondering is op de hoofdregel van artikel 4, dienen deze vereisten terughoudend te worden uitgelegd.

Oordeel rechtbank

Uniemerken

Een aantal medegedaagden, waarvan Gedaagde X bestuurder is, is in tegenstelling tot Gedaagde X wel gevestigd in Nederland, maar niet in het arrondissement Den Haag. Toch oordeelt de rechter dat aan het eerste vereiste is voldaan, althans voor wat betreft de vorderingen op grond van het Uniemerkenrecht. Op grond van artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-Verordening inzake het Gemeenschapsmerk is de rechter in Den Haag namelijk de enige rechter in Nederland die mag oordelen over Uniemerken. Het is dus niet relevant in welke plaats in Nederland de medegedaagden zijn gevestigd: De rechtbank Den Haag is exclusief bevoegd.

Het tweede vereiste (nauwe band tussen de vorderingen) dient volgens vaste Europese rechtspraak zo te worden uitgelegd dat er tussen de verschillende rechtsvorderingen tegen de verschillende gedaagden een zodanig verband dient te bestaan dat het van belang is deze rechtsvorderingen tezamen te berechten.

De rechtbank stelt vast dat ook van deze nauwe band sprake is voor zover het de vorderingen op grond van het Uniemerk betreft. De rechtbank oordeelt dat de vorderingen weliswaar op verschillende juridische grondslagen berusten, maar dat dit niet wegneemt dat aansprakelijkheid van Gedaagde X niet aan de orde kan zijn als niet wordt vastgesteld dat de medegedaagden, waarvan Gedaagde X bestuurder is, inbreuken op de merkenrechten van eisers hebben gemaakt. Gedaagde X wordt immers verweten als bestuurder van enkele medegedaagden niet te hebben voorkomen dat de vermeende inbreuken zijn gepleegd.

Kortom, de rechtbank Den Haag acht zich bevoegd ten aanzien van Gedaagde X voor wat betreft de vorderingen van eiser op grond van het Uniemerkenrecht.

Beneluxmerken

Voor wat betreft de Beneluxmerken oordeelt de rechtbank dat niet aan het eerste vereiste is voldaan. Ten aanzien van Beneluxmerken geldt immers niet dat de rechtbank in Den Haag exclusief bevoegd is. Omdat de medegedaagden, waarvan Gedaagde X bestuurder is, niet in Den Haag zijn gevestigd, is de rechtbank niet bevoegd om te oordelen over deze vorderingen. Alleen de rechtbank in het arrondissement waar die medegedaagden zijn gevestigd, is bevoegd.

Dat enkele andere medegedaagden, waarvan Gedaagde X geen bestuurder is, wel zijn gevestigd in het arrondissement Den Haag maakt volgens de rechtbank geen verschil. Hier loopt de bevoegdheid immers stuk op het tweede vereiste. Vanwege de terughoudende interpretatie van dit tweede vereiste meent de rechtbank namelijk dat er geen “voldoende nauwe band” bestaat tussen de vorderingen tegen de medegedaagden, waarvan Gedaagde X geen bestuurder is (en die dus zijn gevestigd in het arrondissement Den Haag), en de vorderingen tegen Gedaagde X.

Kortom, de rechtbank Den Haag verklaart zich onbevoegd voor wat betreft de vorderingen tegen Gedaagde X op grond van het Beneluxmerkenrecht.

rechtspraak

Conclusie

Al met al een ingewikkelde zaak. Het is vaak al lastig om de bevoegdheid vast te stellen alleen op grond van de EEX-II-Verordening. In deze zaak komt daar dus ook nog de exclusieve bevoegdheidsregeling uit de Uitvoeringswet EG-Verordening inzake het Gemeenschapsmerk bij kijken.

Uit deze zaak blijkt wel weer hoe belangrijk het is om de bevoegdheid van de rechter goed uit te zoeken in zaken met een internationaal karakter. In dit geval blijkt namelijk dat de rechtbank in de hoofdzaak niet zal oordelen over enkele vorderingen van eisers tegen Gedaagde X. Eisers zullen die vorderingen dus opnieuw bij een andere – wel bevoegde – rechtbank moeten instellen.

 

Gerelateerde berichten