Blog

Noot over IPR op internet in Computerrecht

Een tijdje geleden heeft de Hoge Raad uitspraak (ECLI:NL:HR:2016:1054) gedaan in een interessante zaak over het internationaal privaatrecht (hierna: IPR). Deze zaak ging over het IPR met betrekking tot een publicatie op het internet. Het IPR met betrekking tot het internet kan in sommige gevallen anders luiden dan het ‘normale’ IPR, omdat de gevolgen soms omvangrijker zijn.

Deze zaak betrof de (on)rechtmatigheid van publicaties op het in
ternet en heeft betrekking op de vraag of het hof met juistheid heeft geoordeeld dat Engels recht van toepassing is.

Naar aanleiding van mijn eerdere blog over deze zaak heeft Wouter voor Computerrecht een noot geschreven waarin het arrest van de Hoge Raad uitgebreider wordt besproken.

Lees de noot hieronder (Computerrecht 2016/174):

Noot Computerrecht

Hoge Raad 3 juni 2016, nr. 15/01169

(vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en M.V. Polak)

m.nt. mr. W.F. Dammers

(art. 4 lid 1 Verordening Rome II, art. 4 lid 3 Verordening Rome II, art. 5, onder 3, EEX-Verordening)

ECLI:NL:HR:2016:1054

Dit arrest ziet op de bepaling van het toepasselijk recht op onrechtmatige internetpublicaties. Er bestaat connexiteit tussen de Verordening Rome II en de EEX-Verordening. Dit brengt met zich dat het begrip ‘het land waar de schade zich voordoet’ (artikel 4 lid 1 Verordening Rome II) moet worden aangemerkt als het ‘centrum van de belangen’ van het slachtoffer (conform de rechtspraak met betrekking tot artikel 5, onder 3 van de EEX-Verordening).

arrest d.d. 3 juni 2016 in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in eerste aanleg,

geïntimideerde in hoger beroep,

eiser tot cassatie,

hierna aan te duiden als Eiser,

advocaat: mr. S.M. Kingma,

tegen

Dahabshiil Transfer Services Limited,

gevestigd te Londen , Verenigd Koninkrijk,

eiseres in eerste aanleg,

appelante in hoger beroep,

verweerster in cassatie,

hierna aan te duiden als Dahabshiil,

advocaat: mr. E.M. Tjon-En-Fa.

Noot

  • De feiten

Dahabshiil is een financiële organisatie met wereldwijd circa 24.000 vestigingen, waarvan het hoofdkantoor in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd. Het klantenbestand van Dahabshiil bestaat in Nederland voornamelijk uit hier wonende Somaliërs, die via Dahabshiil geld overmaken naar familie en vrienden in Somalië. Eiser in cassatie in deze zaak (na gedaagde in eerste aanleg en hoger beroep te zijn geweest) is een in 2007 uit Somalië gevluchte vluchteling die momenteel in Nederland verblijft. Eiser is voorzitter van de Stichting Associated Somali Journalists (ASOJ) en is journalistiek verantwoordelijk voor de plaatsing van diverse publicaties op het internet waarin Dahabshiil onder meer wordt beschuldigd van banden met terrorisme en het aanzetten tot moord.

Eiser heeft geen gehoor gegeven aan sommaties van Dahabshiil om de beschuldigende publicaties van de websites te verwijderen. Dahabshiill dagvaardt Eiser daarom in kort geding voor de voorzieningenrechter in de Rechtbank Breda en vordert onder meer, kort gezegd, Eiser te veroordelen om een rectificatie te versturen aan een aantal geadresseerden en tevens om een rectificatie op haar websites te plaatsen. In deze noot zal worden ingegaan op de vraag welk recht van toepassing is.

  • Het geschil vanuit het perspectief van het internationaal privaatrecht

Uiteindelijk gaat onderhavig geschil in cassatie met name over de vraag welk recht van toepassing is. De Verordening Rome II regelt binnen de Europese Unie het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen. Echter, bepaalt artikel 1 lid 2 sub g van de Verordening Rome II dat de verordening niet, althans niet rechtstreeks, op de vorderingen van Dahabshiil van toepassing is. In dit artikel is immers bepaald dat de verordening niet van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of op de persoonlijkheidsrechten, waaronder smaad.

De Nederlandse wetgever heeft echter artikel 10:159 BW in het leven geroepen. Uit deze bepaling volgt dat ten aanzien van verbintenissen die buiten de werkingssfeer van de Verordening Rome II vallen én die als onrechtmatige daad kunnen worden aangemerkt, de bepalingen van de verordening van overeenkomstige toepassing zijn.

Op de vorderingen van Dahabshiil is derhalve de Verordening Rome II indirect van toepassing.

  • Plaats van schade bij mededelingen op het internet

Artikel 4 lid 1 van de Verordening Rome II bepaalt dat het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht is van ‘het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen’.

De vraag is welk recht van toepassing is, indien de schadeveroorzakende mededelingen op een website zijn geplaatst, zoals het geval in onderhavige zaak. Wat moet worden begrepen onder ‘het land waar de schade zich voordoet’ – als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de Verordening Rome II – wanneer de gestelde onrechtmatige gedraging bestaat uit mededelingen op het internet?

  • De onrechtmatige daad op het internet

Het internationaal privaatrecht kent een beginsel, waardoor een onrechtmatige daad via internet niet op andere wijze dient te worden benaderd dan een onrechtmatige daad die offline plaatsheeft. Vanuit het perspectief van het internationaal privaatrecht doet het er in beginsel niet toe op welke wijze een rechtsverhouding tot stand is gekomen. Dit wordt ‘mediumneutraal’ of ‘het beginsel van technologische neutraliteit genoemd’. Het internet heeft echter een kenmerk dat met zich brengt dat dit niet in elk geval mogelijk is: het internet is wereldwijd beschikbaar. Dit maakt het lastig om één specifieke plaats te bepalen waar de schade zich heeft voorgedaan en zo de rechtsmacht of het toepasselijk recht vast te stellen. Het HvJEU heeft om die reden een alternatief criterium ontwikkeld ten aanzien van de onrechtmatige daad op het internet, althans met betrekking tot de bepaling van de rechtsmacht onder de EEX-Verordening. De overwegingen van het HvJEU zullen worden besproken in de punten 6 en 7 van deze noot.

  • Eerste aanleg en hoger beroep

De voorzieningenrechter is bij vonnis van 19 november 2012 (Rb. Breda 29 november 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BY5493) van oordeel dat het kort geding zich niet leent voor de beoordeling van de verweten publicaties, omdat het hier gaat om een fundamentele vorm van vrijheid van meningsuiting is grote terughoudendheid op zijn plaats om beslissingen te baseren op een summiere behandeling in kort geding. De vorderingen worden dus afgewezen (r.o 4.3).

In hoger beroep heeft het hof in zijn arrest van 16 december 2014 (Hof ‘s-Hertogenbosch 16 december 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:5351) wel een deel van de door Dahabshiil gevorderde geboden en verboden toegewezen. Voorts heeft het hof aan die geboden en verboden ten laste van Eiser een dwangsom verbonden van EUR 250,- per dag. Het hof heeft dit geoordeeld op grond van het Engelse recht, omdat het van oordeel is dat Engels recht op grond van het internationaal privaatrecht het toepasselijke recht in deze zaak zou zijn (r.o. 12.25-12.26). Tegen die dwangsomveroordeling stelt Eiser cassatie in.

  • Verordening Rome II moet stroken met (o.a.) de EEX-Verordening

In cassatie oordeelt de Hoge Raad (HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1054) dat uit de considerans van de Verordening Rome II blijkt dat het de bedoeling is dat de bepalingen van deze verordening stroken met onder meer de EEX-Verordening (r.o. 3.7). Deze verordening regelt de rechtsmacht binnen de Europese Unie. In de EEX-Verordening is in artikel 5, onder 3 opgenomen ‘de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen’. Volgens vaste rechtspraak dient – ten aanzien van schadeveroorzakende mededelingen op het internet – hieronder te worden verstaan ‘de plaats waar het slachtoffer het centrum van zijn belangen heeft’ (Zie HvJEU 25 oktober 2011, gevoegde zaken C-509/09 en C-161/10, ECLI:EU:C:2011:685, NJ 2012/224 (eDate/Martinez)).

  • Schadeveroorzakende mededelingen op internet in het licht van de EEX-Verordening

In zijn arrest in de gevoegde zaken eDate en Martinez heeft het HvJEU overwogen dat online content zich onderscheidt van content in de vorm van drukwerk, doordat online content in beginsel overal tegelijk beschikbaar is (r.o. 45). Het slachtoffer van een schadeveroorzakende mededeling op het internet kan derhalve veel schade ondervinden, omdat de schadeveroorzakende content wereldwijd beschikbaar is (r.o. 47). Op grond van deze omstandigheden kunnen – volgens het HvJEU – de gevolgen van een schadeveroorzakende mededeling op het internet het best worden beoordeeld door het gerecht van ‘de plaats waar het slachtoffer het centrum van zijn belangen heeft’ (r.o. 48).

  • Connexiteit tussen de verordeningen leidt tot gebruik van hetzelfde begrip

Vanwege de door de Hoge Raad vastgestelde connexiteit tussen de Verordening Rome II en de EEX-Verordening dient onder het in artikel 4 lid 1 van de Verordening Rome II opgenomen ‘het land waar de schade zich voordoet’ – evenals het soortgelijke begrip in de EEX-Verordening – met betrekking tot schadeveroorzakende online content te worden begrepen ‘het land waar het slachtoffer het centrum van zijn belangen heeft’ (r.o. 3.8.5). Dahabshiil is gevestigd in Engeland en door de toezichthoudende instanties aldaar wordt toegezien op haar activiteiten. Het ‘centrum van de belangen’ van Dahabshiil ligt derhalve in Engeland. Dit heeft tot gevolg dat Engels recht op deze zaak van toepassing is (r.o. 3.10.3).

  • ‘Kennelijk nauwere band’ met een andere staat?

Eiser voert aan dat op grond van de exceptieclausule uit artikel 4 lid 3 van de Verordening Rome II ander recht van toepassing zou zijn, omdat Dahabshiil een ‘kennelijk nauwere band’ zou hebben met een andere staat, in dit geval Somalië. Deze klacht faalt, omdat niet uit ‘het geheel der omstandigheden’ blijkt dat sprake zou zijn van deze ‘kennelijk nauwere band’ (r.o. 3.11.1-3.11.4).

  • Uitspraak gunstig vanuit het oogpunt van het slachtoffer

De uitspraak van de Hoge Raad is gunstig vanuit het perspectief van de bescherming van het slachtoffer. Op de vorderingen in zijn geheel is immers het recht van één staat van toepassing, namelijk het recht van de staat waar het slachtoffer ‘het centrum van zijn belangen heeft’. Door de redenering van de Hoge Raad wordt de situatie vermeden dat er verschillende rechtsstelsels van toepassing zouden zijn op de vorderingen, omdat de online content in meerdere landen beschikbaar is en de schade zich derhalve ook in meerdere landen voordoet. In deze onwenselijke situatie zou het recht van de betrokken landen op distributieve wijze moeten worden toegepast (ook wel de mozaïekbenadering genoemd).

Met de uitspraak van de Hoge Raad is op de vorderingen van het slachtoffer ten aanzien van de volledige schade het recht van het land waar het slachtoffer ‘het centrum van zijn belangen heeft’, wat doorgaans zal samenvallen met zijn gewone verblijfplaats. Een versnippering van het toepasselijk recht wordt zodoende dus voorkomen.

Gerelateerde berichten

Leave a comment