Blog

Portretrecht Max Verstappen: verzilverbare populariteit

In de Auteurswet staat dat een portret beschermd kan zijn (artikel 19 – 21 Auteurswet).

Zoals ik al eerder uitlegde bestaat er een groot verschil tussen foto’s die in opdracht van de geportretteerde zijn gemaakt en foto’s die niet in opdracht zijn gemaakt. Als een foto in opdracht van de geportretteerde is gemaakt, heeft de geportretteerde wat te zeggen over het gebruik van de foto. Als de foto niet in opdracht is gemaakt, bestaat dat recht in beginsel niet.

Op die hoofdregel bestaat wel een belangrijk uitzondering. Zo kan een geportretteerde zich toch verzetten tegen het gebruik van de foto als een redelijk belang van de geportretteerde zich hiertegen verzet (artikel 21 Auteurswet).

Dit komt in de praktijk neer op de volgende twee situaties:

  • het gebruik van het portret is in strijd met de privacy van de geportretteerde;
  • de geportretteerde heeft een ‘verzilverbare populariteit’, waardoor er commerciële belangen spelen.

Over die laatste situatie is laatst door het Hof Amsterdam uitspraak gedaan.

De feiten: foto van Max Verstappen

Appellanten in deze zaak zijn Max Verstappen en het bedrijf Mavic. Mavic behartigt de zakelijke belangen van de coureur. De geïntimeerde in deze zaak is een uitgeverij.

De uitgeverij heeft in 2016 een boek uitgegeven met een grote foto van de autocoureur op de voorkant. Ook heeft het boek een fotokatern met 17 foto’s van de coureur. Belangrijke details daarbij zijn dat de foto’s bij ANP zijn ingekocht en al eerder in de media zijn gepubliceerd. Ook is relevant dat de auteursrechten niet bij Verstappen of Mavic liggen.

Verstappen heeft geen toestemming gegeven voor de publicatie van zijn portret, en zijn belangenbehartiger evenmin. Wel heeft de uitgeverij Verstappen een vergoeding aangeboden van 10% van de netto-opbrengst van het boek.

Vraag is nu: heeft de uitgeverij onrechtmatig gehandeld jegens Verstappen en de belangenbehartiger?

onderzoek

De rechtbank: de uitgeverij handelde niet onrechtmatig

De stellingen van Verstappen en Mavic

De coureur en de belangenbehartiger zijn van mening dat de coureur over een ‘verzilverbare populariteit’ beschikt, wat inhoudt dat hij een commercieel belang heeft zich te verzetten tegen openbaarmaking van zijn portret. De uitgeverij mocht dan ook niet overgaan tot publicatie van het boek.

Het oordeel

De rechtbank wijst de vorderingen af. De redenen:

  • het is niet zo dat publicatie van een foto alleen mag plaatsvinden als de afgebeelde persoon daartoe toestemming heeft gegeven (onder verwijzing naar arrest Cruijff/Tirion);
  • het gaat hier om de (commerciële) belangen van de coureur en het recht op het in vrijheid uitgeven van boeken;
  • ondanks het feit dat de foto’s al eerder waren gepubliceerd, gaat het om de commerciële exploitatie van het portret van de coureur waar de uitgeverij van profiteert door het portret te gebruiken en tegen betaling aan te bieden;
  • de aangeboden vergoeding is redelijk, nu het boek een biografie is met het doel het publiek over de coureur te informeren en dus tevens algemene nieuwswaarde heeft, zodat het gebruik van de foto’s niet louter commercieel van aard is.

Het oordeel van het hof

De bezwaren van de coureur en Mavic (de grieven)

De coureur en de belangenbehartiger zijn het niet eens met het oordeel van de rechtbank en besluiten in beroep te gaan. Hun bezwaren luiden:

  • de uitgeverij heeft geen vergoeding aangeboden zoals dat moet volgens het Cruijff/Tirion-arrest;
  • de rechtbank heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het gebruik van de foto’s niet louter commercieel zou zijn;
  • de rechtbank heeft de stelplicht wat betreft de redelijkheid van de vergoeding bij de coureur en de belangenbehartiger gelegd, terwijl de uitgeverij niet goed heeft onderbouwd dat 10% van de netto-opbrengst redelijk is.

Voordat het hof toekomt aan haar oordeel, citeert het hof het Cruijff/Tirion-arrest.

Het arrest Cruijff/Tirion

In dit arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat de geportretteerde geen absoluut verbodsrecht in handen heeft. Ook is het volgende relevant:

Ten aanzien van personen die door hun beroepsuitoefening bekendheid genieten (zoals [appellant sub 2] , hof) geldt dat de openbaarmaking van foto’s die deze beroepsuitoefening betreffen en zijn gemaakt in voor het algemeen publiek toegankelijke plaatsen, tot op zekere hoogte inherent is aan hun beroepsuitoefening en de daarmee gemoeide bekendheid en belangstelling van het publiek. Indien de openbaarmaking de beroepsuitoefening van een daardoor bekende geportretteerde betreft, komt derhalve in de regel groot gewicht toe aan factoren als algemene nieuwswaarde en informatie aan het publiek in verhouding tot diens enkele verzet tegen openbaarmaking (rov 3.6.2).

Daar staat tegenover dat juist de personen die bekendheid genieten, commerciële belangen kunnen hebben bij openbaarmaking van hun portret. Dergelijke belangen zijn beschermd onder artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (‘EVRM’) en moeten worden afgewogen tegen het recht op vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid (artikel 10 EVRM).

Bij die beoordeling kan het belangrijk zijn of er een redelijke vergoeding is aangeboden. Wat een redelijke vergoeding zou zijn, moet worden bepaald aan de hand van de omstandigheden van het geval. Het is duidelijk dat de vergoeding in ieder geval recht moet doen aan de mate van populariteit of bekendheid van de geportretteerde en in overeenstemming moet zijn met de waarde van het exploitatiebelang van de geportretteerde in het economisch verkeer.

Ook is duidelijk dat als vaststaat dat er een vergoeding is aangeboden, dat er in dat geval bijkomende omstandigheden nodig zijn om te oordelen dat de openbaarmaking onrechtmatig is jegens de geportretteerde. Degene die deze omstandigheden moet aantonen, is de geportretteerde. Een voorbeeld daarvan is: de publicatie doet afbreuk aan of is schadelijk voor de wijze waarop de geportretteerde zijn bekendheid wenst te exploiteren.

Het hof: de vergoeding was redelijk

Het hof concludeert dat de Hoge Raad in het bovenstaande arrest niet heeft geoordeeld dat het verplicht is om de geportretteerde een vergoeding aan te bieden. Daarin wijkt het hof af van het oordeel van de rechtbank.

Wat betreft de onderhavige zaak oordeelt het hof dat de vergoeding van 10% als redelijk moet worden gekwalificeerd. Het relateren van de vergoeding aan de opbrengst na kosten is een redelijke manier om tot een waardering te komen, aldus het hof.

Verder oordeelt het hof dat Verstappen en Mavic onvoldoende hebben toegelicht en onderbouwd dat er ondanks de aangeboden vergoeding toch sprake is van een onrechtmatige openbaarmaking. Daarvoor is immers vereist dat zich bijkomende omstandigheden voordoen, en de coureur en Mavic hebben slechts gewezen op de grote en actuele populariteit van de coureur.

Ook hebben ze gesteld dat ze het liefst zelf beslissen of en hoe foto’s van de coureur openbaar zullen worden gemaakt. Het hof oordeelt dat dit neerkomt op een beroep op een algemeen verbodsrecht, maar dat recht heeft de geportretteerde niet.

Om de bovenstaande redenen concludeert het hof dat het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd en dat Verstappen en Mavic in het ongelijk worden gesteld.

Conclusies

Uit dit arrest van het Hof Amsterdam volgt dat een geportretteerde met een verzilverbare identiteit geen algemeen verbodsrecht in handen heeft. Vanwege de bekendheid van de geportretteerde, moet hij/zij namelijk gelet op o.a. de algemene nieuwswaarde aardig wat tolereren.

Toch spelen ook juist bij bekende personen commerciële belangen als het gaat om de openbaarmaking van hun portret. Het hof legt uit dat als de geportretteerde een redelijke vergoeding is aangeboden, in beginsel bijkomende omstandigheden nodig zijn om ervoor te zorgen dat de openbaarmaking van het portret kan worden tegengehouden. De wens om zelf te bepalen wat er met je portret wordt gedaan, is daarvoor onvoldoende.

Gerelateerde berichten