Blog

Proceskostenvergoeding bij intrekken kort geding mogelijk? Ja!

In de rechtspraktijk speelt al geruime tijd de vraag of degene die een door hem begonnen kort geding vóór de zitting intrekt verplicht is om de door de wederpartij gemaakte kosten te vergoeden. Helemaal in intellectuele eigendomszaken waarin – op grond van artikel 1019h Rv – ook alle redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten voor vergoeding in aanmerking komen, kan dit om een aanzienlijk bedrag gaan. De Hoge Raad heeft op 3 juni 2016 een antwoord gegeven op deze vraag.

Feiten en procesverloop

In de zaak is staat een geschil tussen Wieland en GIA centraal.

Wieland is een internationaal opererende onderneming die actief is op het gebied van stekkerbare installaties. Wieland is houdster van verschillende Benelux- en Gemeenschapsmerken.

GIA houdt zich bezig met de (online) verkoop van elektrotechnische producten.

Wieland is van mening dat door GIA een inbreuk op haar merkrechten wordt gemaakt. Om die reden stuurt Wieland een sommatiebrief aan GIA waarin zij GIA sommeert om iedere inbreuk op de merkrechten van Wieland te staken.

GIA reageert niet inhoudelijk binnen de gestelde termijn op de sommatiebrief. Wieland vordert daarom in kort geding om GIA te bevelen het inbreukmakend gebruik van de merken van Wieland te staken.

Vervolgens trekt Wieland het kort geding in en start zij een bodemprocedure met nagenoeg dezelfde vorderingen. GIA is van mening dat zij recht heeft op de door haar gemaakte proceskosten en verzoekt de voorzieningenrechter om Wieland te bevelen de redelijke en evenredige proceskosten te vergoeden.

De voorzieningenrechter moet het antwoord op dit verzoek schuldig blijven en is van oordeel dat dit vraagstuk zich leent voor het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad op grond van artikel 392 Rv.

Botsing wet en Procesreglement

Wat deze kwestie interessant maakt is dat de wet en het Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie (hierna: Procesreglement) tegenstrijdig zijn ten aanzien van dit vraagstuk.

De wet bepaalt in artikel 249 lid 2 RV dat de eiser bij afstand van instantie de proceskosten van gedaagde moet vergoeden. Bij intellectuele eigendomszaken betekent dit dat – op grond van artikel 1019h Rv – de eiser alle redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten van de gedaagde dient te vergoeden.

Het Procesreglement daarentegen bepaalt in artikel 9.1 dat de eisende partij de procedure kan intrekken tot het moment dat de zaak is uitgeroepen. In dat geval spreekt de voorzieningenrechter geen proceskostenveroordeling uit.

Het Procesreglement is echter geen algemeen verbindend voorschrift, omdat zij niet is vastgesteld door een instantie dat daartoe op grond van de wet bevoegd is.

Het oordeel

Allereerst stelt de Hoge Raad vast dat – op grond van artikel 78 Rv – artikel 249 Rv ook van toepassing is op de kort geding procedure.

De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat het deel van artikel 9.1 Procesreglement dat ziet op het feit dat geen proceskostenvergoeding kan worden uitgesproken bij het intrekken van een zaak, in strijd is met de aan het systeem van de wet ten grondslag liggende uitgangspunten die gelden ten aanzien van het kort geding. De Hoge Raad oordeelt dat de bepaling in zoverre dus onverbindend is. De wettelijke regeling heeft dus voorrang boven het speciaal voor het kort geding opgestelde Procesreglement. De proceskosten komen dus voor vergoeding in aanmerking, ook bij het afbreken van een kort geding procedure.

Conclusie

Vanaf nu is het in intellectuele eigendomszaken mogelijk om van de eiser alle redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten van de gedaagde dient te vergoeden, indien zij de kort geding procedure afbreekt. Het Procesreglement dat tegenstrijdig luidt kan geen afbreuk doen aan de wettelijke regeling.

Neem dit in gedachten wanneer je besluit een kort geding te af te breken met betrekking tot een (intellectuele eigendoms)zaak. En tevens wanneer je besluit zo’n kort geding procedure te starten!

Geschreven door: Nick Vrugt

Gerelateerde berichten