Blog

HR: Verwijderen van zoekresultaten met persoonsgegevens

Wanneer heeft een verzoek tot verwijderen van zoekresultaten met jouw persoonsgegevens kans van slagen? In mei 2014 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie daarvoor de maatstaven aangelegd voor dit zogenaamde “right to be forgotten” of het “recht om vergeten te worden” (HvJEU 13 mei 2014, C-131/12. ECLI:EU:C:2014:317 (Google/Costeja). Sindsdien proberen personen en ondernemingen vaak om hun gegevens verwijderd te krijgen uit Google en andere zoekmachines, maar vaak zonder succes. In een eerdere blog gaf ik daarom 5 vuistregels voor het recht om vergeten te worden.

Afgelopen vrijdag (24 februari 2017) heeft de Hoge Raad een arrest gewezen in een soortgelijke zaak. Het arrest van de Hoge Raad is interessant, omdat hierin door het hoogste rechtsorgaan in Nederland uitleg wordt gegeven aan hoe zij de maatstaven van het “vergeetrecht” hanteert. Het is daarmee van groot belang voor iedereen die een verzoek tot verwijderen van zoekresultaten bij Google wil indienen.

Persoonsgegevens in zoekresultaten Google

In dit geval betreft het een persoon (hierna: “eiser”) die voor poging tot uitlokking huurmoord was veroordeeld. De betreffende moord heeft echter nooit plaatsgevonden. De zaak heeft een auteur geïnspireerd om een boek te schrijven. In dat boek heeft de moord wel plaatsgevonden. Daarbij is de echte naam van de eiser gebruikt. Het boek werd aangeboden op verschillende websites, zoals books.google.nl en amazon.com.
Daardoor kwamen verschillende zoekresultaten naar voren op Google, wanneer daar werd gezocht op de volledige naam van de eiser. De zoekresultaten betroffen de verwijzingen naar het boek waarin hij met naam en toenaam werd genoemd.

Verzoek tot verwijderen van persoonsgegevens in zoekresultaten

De advocaat van de eiser had Google verzocht om de zoekresultaten te verwijderen. Google had het verzoek geweigerd. Daarop is de eiser een kort geding gestart, met het verzoek Google te veroordelen tot het verwijderen van de zoekresultaten. De voorzieningenrechter had de eis tot verwijdering van zoekresultaten afgewezen. Ook het hoger beroep in deze zaak heeft niet geholpen. De Hoge Raad meent dat het Hof in Amsterdam daarbij fouten heeft gemaakt, en vernietigt de uitspraak. De zaak komt nu daardoor opnieuw voor, dit keer bij het Hof in Den Haag.

Recht om vergeten te worden

Eiser heeft aan zijn vorderingen de art. 36 en 40 Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) en onrechtmatige daad ten grondslag gelegd.

Artikel 36 Wbp

Op grond van art. 36 Wbp kan de betrokkene aan degene die verantwoordelijk is voor de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens, een verzoek doen om bepaalde persoonsgegevens (i) te verbeteren, (ii) aan te vullen, (iii) te verwijderen of (iv) af te schermen indien deze (a) feitelijk onjuist zijn, (b) voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn of (c) anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt.

Artikel 40 Wbp

Art. 40 Wbp biedt hiernaast de mogelijkheid om ter bescherming van (i) het belang van betrokkene of (ii) diens fundamentele rechten en vrijheden verzet aan te tekenen tegen de verwerking van persoonsgegevens.

Google/Costeja: verwijderen van zoekresultaten

Eiser heeft ook verwezen naar HvJEU 13 mei 2014, C-131/12, ECLI:EU:C:2014:317, NJ 2014/385 (Google/Costeja). Deze zaak heeft betrekking op de uitleg van de Richtlijn persoonsgegevens. Onze Wbp is daarop gebaseerd.

Voorzieningenrechter: geen verwijdering zoekresultaten

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de eiser af.

Hof: geen verwijderen van zoekresultaten

Het Hof sluit zich aan bij de voorzieningenrechter.

Het Hof meent daarbij dat uit het arrest Google/Costeja volgt dat betrokkene recht heeft op eerbiediging van zijn privéleven en bescherming van zijn persoonsgegevens. Het voert daarvoor het volgende aan:

– Op grond van deze artikelen kan de betrokkene verlangen dat op hem betrekking hebbende informatie niet meer door opneming in een resultatenlijst van een zoekmachine ter beschikking wordt gesteld van het grote publiek.

– Daarop geldt echter wel een uitzondering: inmenging in de grondrechten kan gerechtvaardigd zijn wegens bijzondere redenen. Daarbij kan gedacht worden aan de rol die deze persoon in het openbare leven speelt, en de rechtvaardiging door het overwegende belang dat het publiek erbij heeft om toegang tot de informatie te krijgen.

– In deze zaak werd eiser vervolgd voor een ernstig strafbaar feit. Eiser is daarvoor veroordeeld. De publicaties van die veroordeling zijn daarvan het gevolg geweest. De publieke belangstelling daarvoor is daarom aan het eigen gedrag van eiser te wijten. Het publiek heeft in het algemeen een groot belang erbij om toegang te verkrijgen tot informatie omtrent ernstige delicten en dus ook omtrent de strafvervolging en veroordeling van eiser, aldus het Hof.

– Daarbij is ook van belang dat de zoekresultaten die volgen op het intypen van de naam van eiser, verwijzen naar websites die slechts zijn voornaam en de eerste letter van zijn achternaam bevatten. Dit betekent dat derden die inlichtingen over eiser zoeken en al bekend zijn met zijn volledige naam, niet met zekerheid kunnen vaststellen of deze webpagina’s gegevens bevatten over eiser of dat de informatie betrekking heeft op een andere persoon.

– Voor zover het publiek wel het verband legt tussen de persoon van eiser en de inhoud van de webpagina’s, dient dat gelet op zijn rol in het openbare leven en (de belangstelling van het publiek voor) het gepleegde misdrijf voor rekening van eiser zelf te komen, aldus het Hof.

Het Hof meent dat Google de zoekresultaten daarom niet hoeft te verwijderen.

Hoge Raad: rangorde grondrechten, en afweging volgens Google/Costeja-maatstaf

De zaak komt vervolgens voor de Hoge Raad. Google stelt daarbij dat dat de te hanteren maatstaf niet alleen rekening moet houden met het recht op de eerbiediging van het privéleven en de bescherming van persoonsgegevens, maar ook het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, van alle betrokken partijen. Daarbij geldt geen rangorde tussen grondrechten. Alle gewaarborgde grondrechten zullen steeds per geval afgewogen moeten worden. De Hoge Raad oordeelt als volgt.
De Hoge Raad bevestigt dat een zoekmachine gehouden kan zijn om ervoor te zorgen dat zoekresultaten niet mogen worden getoond als deze (a) feitelijk onjuist zijn, (b) voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn of (c) anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Ook moeten de zoekresultaten worden verwijderd wanneer (i) het belang of (ii) de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert boven het belang van Google.

De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens in de regel zwaarder wegen dan, en dus voorrang hebben op, het economisch belang van de exploitant van de zoekmachine en het gerechtvaardigde belang van de internetgebruikers die mogelijk toegang willen krijgen tot de desbetreffende zoekresultaten.

Dat kan in bijzondere gevallen anders zijn, afhankelijk van “de aard van de betrokken informatie en de gevoeligheid ervan voor het privéleven van de betrokkene en van het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die deze persoon in het openbare leven speelt”.

Daaruit volgt dat de stelling van Google – dat geen rangorde zou gelden tussen de verschillende grondrechten – niet klopt. Het privacybelang van een natuurlijke persoon prevaleert in de regel boven het belang bij informatie van de internetgebruikers en boven het economisch belang van de exploitant. Alleen in bijzondere gevallen kan dat anders zijn: wanneer sprake is van bijzondere redenen die de inmenging in het recht op privacy rechtvaardigen.

Tot zover heeft het Hof het volgens de Hoge Raad bij het rechte eind.

Maar vervolgens wordt het interessant. De Hoge Raad meent namelijk dat het Hof diende na te gaan of het publiek belang erbij heeft dat als op de volledige naam van eiser wordt gezocht, de desbetreffende berichten verschijnen. Het diende dit belang vervolgens af te wegen tegen dat van eiser. De Hoge Raad vindt dat het Hof dit niet duidelijk is nagegaan of het publiek voornoemd belang heeft, en of het deze afweging heeft verricht. De Hoge Raad vindt wel dat (i) de ernst van het delict waarvoor eiser is veroordeeld (ii) het grote belang van het publiek om daarover te worden geïnformeerd (welke overweging het hof herhaalt in rov. 3.10 en 3.14) en (iii) dat eiser de publiciteit aan zijn eigen gedrag te wijten heeft, op zichzelf voldoende voor het oordeel dat de publiciteit omtrent de veroordeling van eiser rechtmatig is. Maar, zegt de Hoge Raad: dat is onvoldoende om de vordering tot verwijderen van de zoekresultaten af te wijzen.

In het arrest Google/Costeja is immers overwogen dat Google verplicht is om van de resultatenlijst die na een zoekopdracht op de naam van een persoon wordt weergegeven, de koppelingen te verwijderen naar door derden gepubliceerde webpagina’s waarop informatie over deze persoon is te vinden “in voorkomend geval zelfs wanneer de publicatie ervan op deze webpagina’s op zich rechtmatig is”. Het Hof heeft niets vastgesteld over het belang van het publiek om informatie over de veroordeling van eiser te krijgen bij het zoeken op eisers volledige naam. Ook heeft het Hof niets vastgesteld over of eiser een rol in het openbare leven speelt en, zo ja, welke. De veroordeling wegens ernstig misdrijf, en dat sprake is geweest van publiciteit is daartoe onvoldoende. Verder heeft het Hof (de aard en omvang van) het belang van eiser niet nader vastgesteld, waaronder dat de veroordeling niet onherroepelijk is (van de veroordeling is hoger beroep aangetekend), laat staan dat het heeft onderzocht waar in dit geval het evenwicht moet worden gezocht tussen het belang van eiser en dat van het publiek.

Kortom: de Hoge Raad meent dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vordering tot verwijderen van zoekresultaten is afgewezen.

Verder heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat derden die inlichtingen over eiser zoeken en al bekend zijn met zijn volledige naam, niet met zekerheid kunnen vaststellen of de webpagina’s die slechts zijn voornaam en de eerste letter van zijn achternaam bevatten, gegevens bevatten over eiser of dat de informatie betrekking heeft op een andere persoon. Er zou namelijk een aannemelijke kans bestaat dat het publiek dat verband legt. De Hoge Raad meent dat eiser voldoende belang heeft bij verwijderen van de persoonsgegevens als een aanzienlijk deel van het publiek zal veronderstellen dat hij de persoon is die daarin wordt bedoeld, ook al heeft het daarover geen zekerheid.

Al met al wordt het arrest van het Hof Amsterdam dus vernietigd. De eiser krijgt een nieuwe tweede kans, dit keer bij het Hof in Den Haag.

Vuistregels voor het recht om vergeten te worden

Om een verzoek om vergeten (verzoek tot het verwijderen van zoekresultaten) te worden voldoende kans van slagen te geven is het daarom aan te raden om daarbij de volgende vuistregels te hanteren:
1. De informatie moet op een groot aantal aspecten betrekking hebben op (delen) van jouw privé-leven, die, zonder Google, niet of slechts met grote moeite verbonden konden worden aan jouw naam. Door de zoekresultaten wordt dus een min of meer gedetailleerd profiel vastgelegd.
2. Het effect van de vindbaarheid via Google is verhoogd vanwege de belangrijke rol van het internet en zoekmachines in de moderne samenleving.
3. In het algemeen kunnen de privacybelangen van de betrokkene prevaleren boven de economische belangen van een zoekmachine als Google en boven de belangen van de gebruikers van de zoekmachine om de informatie te kunnen verkrijgen.
4. Maar: afhankelijk van de aard en de gevoeligheid van de verwerkte gegevens en het belang van het publiek bij toegang tot die informatie kan deze afweging in het nadeel van de betrokkene uitvallen. Dit kan in het bijzonder komen door de rol van de betrokkene in het openbare leven. In de praktijk zal de belangenafweging vallen of staan met de aard en gevoeligheid van de verwerkte gegevens en het belang van het publiek om toegang te hebben tot die informatie. Het is daarbij dan de vraag

  • Hoe relevant de gegevens nog zijn?
    Zien de gegevens op het professionele of privéleven van de betrokkene?
    Hoe oud is de informatie?
    Is de informatie juist?
    Is de informatie nog van belang voor het publiek?
    Dient de informatie een algemeen belang?

Hoe relevanter, meer prive, recenter, juister, meer van belang, meer algemeen belang, des te eerder kan de afweging in het nadeel van de betrokkene uitvallen.
5. Bovendien: Zelfs al zou de afweging in het voordeel van de betrokkene uitvallen, en al zou Google dus de betreffende zoekresultaten moeten verwijderen, dan staat dit nog los van de (vindbaarheid van de) originele website: deze is nog altijd vindbaar. Deze website kan zelf onder omstandigheden ook worden aangesproken.

Gerelateerde berichten