Blog

Voetballer Rafinha voor Amsterdamse rechter om dragen “verkeerde” schoenen

Op de website van het AD las ik dat Adidas deze week bij de Amsterdamse rechtbank vordert dat de Braziliaanse voetballer Rafinha zijn sponsorverplichtingen nakomt. Volgens Adidas zou er een overeenkomst zijn op basis waarvan Rafinha alleen Adidas sportkleding en schoenen mag dragen. Sinds 1 juli draagt Rafinha echter schoenen van een met Adidas concurrerend merk.

In deze blog zal ik bespreken hoe nakoming van een overeenkomst bij de rechter kan worden gevorderd. En waarom Rafinha voor de Nederlandse rechter kan worden gedagvaard?

De bekende feiten

De bekende feiten in deze zaak zijn beperkt. Dat komt omdat de zaak ten tijde van dit schrijven nog voor de rechter moet komen.

Klaarblijkelijk heeft Rafinha in oktober 2013 met Adidas een overeenkomst gesloten om in ruil voor een vergoeding exclusief Adidas sportkleding en schoenen te dragen. De overeenkomst had een bepaalde duur tot 1 juli 2018.

Volgens Rafinha is de overeenkomst op 1 juli 2018 geëindigd. Adidas meent echter dat de overeenkomst stilzwijgend is verlengd tot maart 2023.

Rafinha draagt sinds 1 juli 2018 schoenen van een concurrent van Adidas. Adidas vordert nu bij de Nederlandse rechter dat Rafinha wordt veroordeeld de (stilzwijgende verlengde) overeenkomst na te komen.

Hoe ziet zo een vordering tot nakoming eruit? En hoe kan iemand worden “gedwongen” tot het nakomen van een verbintenis”?

UPDATE: Inmiddels is bekend dat partijen in 2011 al een overeenkomst hebben gesloten. In die overeenkomst stond volgens Rafinha geen beding op basis waarvan stilzwijgende verlenging van de overeenkomst mogelijk was. Rafinha meent dat dit stilzwijgende verlengingsbeding er in de overeenkomst uit 2013 achterin is “ingefietst”, terwijl Rafinha ervan uitging dat de voorwaarden van beide overeenkomsten hetzelfde zouden zijn.

Het vorderen van nakoming

In het geval dat een partij een verbintenis niet nakomt, dan kan nakoming van die verbintenis worden gevorderd. Op vordering kan de rechter de niet-nakomende partij(en) veroordelen de verbintenis(sen) na te komen op grond van art. 3:296 BW. Het enige dat voor een vordering tot nakoming nodig is, is een opeisbare vordering. Er is bijvoorbeeld geen ingebrekestelling of verzuim vereist. Anders dan bij bijvoorbeeld ontbinding van een overeenkomst.

Let op: het is mogelijk dat partijen het recht op nakoming contractueel hebben uitgesloten, maar dat komt niet vaak voor. Ook kan uit de aard van de verplichting volgen dat een vordering tot nakoming niet mogelijk is. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een overeenkomst tussen een schrijver en een uitgever, waarbij de schrijver verplicht is een boek te schrijven.

Opleggen van een dwangsom

Als de rechter de niet-nakomende partij eenmaal heeft veroordeeld tot nakoming van de verbintenis(sen), dan is nog niet gezegd dat de niet-nakomende partij daadwerkelijk zal nakomen. Daarom wordt een vordering tot nakoming meestal gecombineerd met een vordering tot het opleggen van een dwangsom.

Het opleggen van dwangsom is een manier om druk uit te oefenen op de niet-nakomende partij, zodat zij haar verplichtingen (wel) zal nakomen. Een dwangsom kan een geldbedrag betreffen per dag(deel) dat de veroordeling tot nakoming niet wordt nageleefd, of een geldbedrag dat ineens wordt verbeurd bij het niet-naleven van de veroordeling tot nakoming. Indien het een bedrag per dag(deel) betreft, dan zal de rechter het totale geldbedrag aan dwangsommen maximeren. De verbeurde dwangsommen komen toe aan de eisende partij.

Let op: er kan geen dwangsom worden opgelegd bij een veroordeling tot betaling van een geldsom. Er bestaat namelijk geen noodzaak om de veroordeling tot betaling van een geldsom met een dwangsom te versterken, omdat de eisende partij de betaling kan verkrijgen door het vonnis ten uitvoer te leggen door het leggen van beslag.

Uit het nieuwsbericht volgt dat Adidas nakoming vordert gecombineerd met het opleggen van een dwangsom ter hoogte van € 100.000,- voor elke dag dat Rafinha weigert de overeenkomst na te komen. Dat wil zeggen voor elke dag dat hij geen Adidas kleding of schoenen draagt, maar dat van een ander merk. Het opleggen van een dwangsom is mogelijk omdat door Adidas geen betaling van een geldsom wordt gevorderd, maar nakoming van de overeenkomst door exclusief Adidas sportkleding en schoenen te dragen.

Waarom naar de Nederlandse rechter?

Rafinha is een Braziliaanse voetballer (met overigens ook de Spaanse nationaliteit), die voetbalt bij het Spaanse “FC Barcelona”. Adidas is een Duitse onderneming. De zaak lijkt dus een band te hebben met 3 nationaliteiten. Namelijk Spanje, Brazilië en Duitsland. Nederland is daar geen van. Toch komt de zaak voor de Nederlandse rechter. De vraag is waarom? En op welke grondslag?

Uit het nieuwsbericht blijkt dat de overeenkomst zou zijn gesloten tussen Rafinha en een Nederlandse vennootschap van Adidas. Vandaar dat Adidas ervoor zou kiezen om naar de Nederlandse rechter te gaan.

De vraag is in hoeverre dit op grond van het internationaal privaatrecht (IPR) mogelijk is. De overeenkomst is gesloten tussen 2 partijen die in Europa (of beter: de EU) zijn gevestigd. De vennootschap van Adidas is gevestigd in Nederland, en Rafinha is woonachtig in Spanje. Welke rechter bevoegd is, wordt daarom bepaald door de Europese EEX-II-Verordening (ook wel Brussel-I-bis genoemd).

zakelijk conflict

Bevoegde rechter aanwijzen

Op grond van art. 25 EEX-II-Verordening kunnen partijen in een overeenkomst een bevoegde rechter aanwijzen. In veel internationale contracten gebeurt dit. Het is goed denkbaar dat Adidas in de overeenkomst de Nederlandse rechter bevoegd heeft verklaard. De (vooralsnog) bekende feiten geven hierover echter geen duidelijkheid.

Rechter van lidstaat waar gedaagde woonplaats heeft

Als er geen bevoegde rechter is aangewezen in de overeenkomst, dan is in het algemeen bevoegd de rechter van de lidstaat waar gedaagde woonplaats heeft. In dit geval zou dat dus de lidstaat zijn waar Rafinha woonplaats heeft. En dus de Spaanse rechter.

Plaats waar de verbintenis moet worden uitgevoerd

Maar de EEX-II-Verordening kent enkele bijzondere gevallen waarin toch (ook) een andere rechter (alternatief) bevoegd is. Een bijzonder geval geldt voor verbintenissen uit overeenkomst. Alternatief bevoegd is dan namelijk ook de rechter van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.

De vraag is dus in welk land de verbintenis is uitgevoerd, of moet worden uitgevoerd. Dit is een lastige vraag, omdat dit per nationaal rechtsstelsel kan verschillen. 

Allereerst kan in de overeenkomst een plaats van uitvoering van de verbintenis zijn overeengekomen. Dit wordt dan gezien als de plaats van uitvoering. Op grond van deEEX-II-Verordening zou de rechter van deze plaats dan ook bevoegd zijn van de zaak kennis te nemen.

Ontbreekt zo een clausule, dan dient de rechter eerst vast te stellen wat het toepasselijk recht op de overeenkomst is. Vervolgens dient hij aan de hand van dit toepasselijk recht vast te stellen wat de plaats van uitvoering van de overeenkomst is.

Kortom, als er geen contractuele afspraken zijn gemaakt over de bevoegde rechter, dan is nog maar de vraag of de Nederlandse rechter daadwerkelijk bevoegd is van de zaak kennis te nemen.

Tot slot

Al met al een zaak die – met name internationaal privaatrechtelijk – lastiger is, dan deze op het eerste gezicht lijkt. De zaak is in elk geval een leuke aanleiding een keer te bloggen over het recht op nakoming en de mogelijkheid tot het opleggen van een dwangsom. En ook over de bevoegdheid van de rechter bij een internationale overeenkomst.

Ik zal de zaak blijven volgen. Vooral ben ik daarbij benieuwd naar de vraag of, en zo ja, waarom de Nederlandse rechter zich bevoegd acht kennis van de zaak te nemen.

Ik begrijp uit de update van het AD dat de rechter op 18 december uitspraak zal doen.

Gerelateerde berichten