Blog

Vordering tot verkrijging billijke vergoeding op grond van wettelijke regeling = verbintenis uit onrechtmatige daad

De afgelopen jaren is de samenleving enorm gedigitaliseerd. Naast een enorme hoeveelheid aan voordelen biedt deze digitalisering tevens de mogelijkheid om op een nieuwe wijze schade aan een ander toe te brengen. Met name het internet speelt hierin een belangrijke rol. Je kunt bijvoorbeeld denken aan het onrechtmatig downloaden van muziek en de inbreuk die dit maakt op het auteursrecht of aan een onrechtmatige publicatie op een website.

Een belangrijk kenmerk voor het internet is dat dit medium niet is gebonden aan nationale grenzen en wereldwijd beschikbaar is. Om deze reden is het internationaal privaatrecht (hierna: IPR) van belang ten aanzien van handelingen die via het internet plaatsvinden.

Maar ook ten aanzien van handelingen die niet per se via het internet plaatsvinden, maar wel direct verband houden met de bovengenoemde digitalisering van de samenleving kan het IPR van belang zijn. Een recent voorbeeld hiervan is de uitspraak van 21 april 2016 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) die betrekking had op de digitalisering en het IPR.

Het IPR en de EEX-Vo II

Het IPR is een tak van het recht waarin regels worden voorgeschreven voor internationale situaties. Een belangrijk onderdeel van het IPR is het bevoegdheids- of jurisdictierecht. De belangrijkste internationale regeling op dit gebied is de EEX-verordening II (hierna: EEX-Vo II). De EEX-Vo II kent een algemene bevoegdheidsregeling in artikel 4 EEX-Vo II. Deze algemene bevoegdheidsregeling houdt in dat de rechter van de lidstaat waar de gedaagde woont bevoegd is.

Daarnaast kent de EEX-Vo II een aantal bijzondere bevoegdheidsregelingen waaronder de bevoegdheidsregeling van artikel 7 lid 2 EEX-Vo II die betrekking heeft op de verbintenis uit onrechtmatige daad.

De onrechtmatige daad en de EEX-Vo II

Ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad geeft de EEX-Vo II op grond van artikel 7 lid 2 EEX-Vo II een lex specialis. Bij een vordering uit onrechtmatige daad mag een eiser de gedaagde voor een op grond van artikel 7 lid 2 EEX-Vo II bevoegd gerecht oproepen als alternatief voor het gerecht van de lidstaat waar gedaagde woonplaats heeft.

Op grond van artikel 7 lid 2 EEX-Vo II is bevoegd het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Dit wordt in het IPR het ‘forum locus delicti’ (in het IPR worden veel Latijnse termen gebruikt) genoemd.

Het is mogelijk dat de plaats waar de veroorzakende gebeurtenis, die aan de schade ten grondslag ligt (het ‘Handlungsort’) en de plaats waar de schadelijke gevolgen van de onrechtmatige daad intreden (het ‘Erfolgsort’) uiteenlopen. (Naast Latijnse termijn wordt ook veel gebruik gemaakt van Duitse termen).

In deze gevallen wordt gesproken van een meervoudige locus. Het HvJEU heeft geoordeeld dat in deze gevallen de eiser de keuze heeft zijn vordering in te stellen bij het gerecht van het Handlungsort of bij het gerecht van het Erfolgsort.

De feiten

De zaak betreft de Oostenrijkse collectieve beheersorganisatie van auteursrechten Austro-Mechana, die onder andere als taak heeft om de billijke vergoeding op mediadragers te innen voor de geoorloofde reproductie voor privégebruik. Deze vergoeding bestaat uit een heffing op media dragers die ook wel bekend is als de thuiskopieheffing.

Austro-Mechana wil de billijke vergoeding innen bij een aantal Amazon-bedrijven die niet in Oostenrijk (maar in Luxemburg en Duitsland) zijn gevestigd. Deze Amazon-bedrijven verkopen via het internet bepaalde opslagmedia voor mobiele telefoons die vallen onder de categorie dragers.

Austro-Mechana wendt zich tot de Oostenrijkse rechter met een vordering die ertoe strekt de billijke vergoeding van de Amazon-bedrijven te verkrijgen.

Amazon stelt zich echter op het standpunt dat de Oostenrijkse rechter niet bevoegd is om van de zaak kennis te nemen, omdat de Amazon-bedrijven niet in Oostenrijk zijn gevestigd. De Oostenrijkse komt geen internationale bevoegdheid toe, omdat zij niet bevoegd is op grond van artikel 4 EEX-Vo II. Tevens is geen sprake van een bijzondere bevoegdheidsbepaling uit de EEX-Vo II die van toepassing zou zijn.

De rechtsvraag

De vraag die door het Oostenrijkse gerecht aan het HvJEU is gesteld is als volgt:

Is de vordering tot betaling van een billijke compensatie op grond van artikel 5, lid 2, onder b van de Auteursrechtrichtlijn, die naar Oostenrijks recht bestaat ten aanzien van ondernemingen die dragers in het binnenland als eerste bedrijfsmatig in het verkeer brengen, een vordering uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 7 lid 2 EEX-Vo II?

De uitspraak

Het HvJEU bepaalt dat artikel 7 lid 2 EEX-Vo II zo moet worden uitgelegd dat een vordering strekkende tot betaling van een vergoeding die verschuldigd is op basis van een nationale regeling, waarbij het stelsel van billijke compensatie wordt toegepast, onder het begrip verbintenissen uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 7 lid 2 van de EEX-Vo II valt.

Gesteld wordt dat de vordering tot betaling van die vergoeding geen betrekking heeft op een verbintenis uit overeenkomst en wel strekt tot schadeloosstelling van nadeel dat Autro-Mechana ondervindt van het in gebreke blijven van Amazon. Om die reden valt de desbetreffende vordering onder het begrip verbintenis uit onrechtmatige daad in de zin van de EEX-II.

Conclusie

Nu door het HvJEU is geoordeeld dat de vordering moet worden gezien als een verbintenis uit onrechtmatige daad valt de vordering onder de werkingssfeer van artikel 7 lid 2 EEX-Vo II.

Dit houdt in dat Austra-Mechana – als eiser – haar vordering in kan stellen bij de rechter die op grond van artikel 4 EEX-Vo II bevoegd is. Dit zijn de gerechten van Luxemburg en Duitsland. Hier zijn de Amazon-bedrijven immers gezeteld.

Zij kan er ook voor kiezen om haar vordering in de stellen bij één van de rechters die op grond van artikel 7 lid 2 EEX-Vo II bevoegd is. Dit zijn wederom de Luxemburgse en Duitse gerechten als zijnde gerechten van het Handlungsort (hier vindt immers de veroorzakende gebeurtenis plaats).

Het belangrijkste gevolg van deze uitspraak is echter dat ook het Oostenrijkse gerecht bevoegd is als zijnde het gerecht van het Erfolgsort. De gevolgen van de handeling komen namelijk tot uiting bij Austro-Mechana, die is gevestigd in Oostenrijk.

Geschreven door: Nick Vrugt

Gerelateerde berichten