Wet bescherming bedrijfsgeheimen

De wet bescherming bedrijfsgeheimen geeft de houder van een bedrijfsgeheim een aantal rechtsmiddelen om onrechtmatig gebruik van bedrijfsgeheimen tegen te gaan.

De houder van een bedrijfsgeheim kan bij de rechter:

  • een verbod vorderen op het gebruik het bedrijfsgeheim;
  • een verbod vorderen op de productie van goederen die door middel van het bedrijfsgeheim zijn geproduceerd;
  • verlof vragen om (bewijs)beslag te mogen leggen op de vermeende inbreukmakende goederen;
  • een vordering instellen tot het terugroepen van de markt van de vermeende inbreukmakende goederen;
  • vernietiging vorderen van de vermeende inbreukmakende goederen;
  • vernietiging vorderen van de documenten schade die het bedrijfsgeheim bevatten; en
  • (onder bepaalde voorwaarden) schadevergoeding vorderen.

Met de komst van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen zal de vertrouwelijkheid van bedrijfsgeheimen ook tijdens gerechtelijke procedures worden bewaard. Immers, de wetgever komt met een geheel nieuwe titel in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor rechtszaken over de bescherming van bedrijfsgeheimen.

In de wet zal geregeld worden dat het partijen verboden zal zijn bedrijfsgeheimen te gebruiken of openbaar te maken die door de rechter als vertrouwelijk is aangemerkt en hen ter kennis zijn gekomen door de rechtszaak:

Artikel 1019ib
1. Het is aan partijen, hun advocaten of andere vertegenwoordigers, getuigen, deskundigen en andere personen die deelnemen aan gerechtelijke procedures betreffende het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, of die toegang hebben tot de documenten die deel uitmaken van deze gerechtelijke procedures, verboden bedrijfsgeheimen of vermeende bedrijfsgeheimen te gebruiken of openbaar te maken die de rechter op verzoek van een partij als vertrouwelijk heeft aangemerkt en die hun ter kennis zijn gekomen als gevolg van een dergelijke deelname of toegang.

Dit verbod blijft ook gelden na de rechtszaak. Pas als is vastgesteld dat het geen beschermd bedrijfsgeheim zou zijn, of wanneer de informatie algemeen bekend wordt of gemakkelijk toegankelijk is geworden geldt het verbod niet meer:

2. De in het eerste lid bedoelde verbod blijft van kracht na beëindiging van de gerechtelijke procedures. De verplichting houdt op te bestaan indien:

a. bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis tussen partijen is vastgesteld dat het vermeende bedrijfsgeheim niet voldoet aan de in artikel 1 van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen bepaalde voorwaarden, of

b. na verloop van tijd de desbetreffende informatie algemeen bekend wordt bij of gemakkelijk toegankelijk wordt voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende informatie.

Daarnaast kan het verbod geheel of gedeeltelijk door de rechter opgeheven worden.

Tijdens de procedure kan de vertrouwelijkheid van een bedrijfsgeheim worden bewaard. De rechter kan daarvoor bijvoorbeeld de volgende maatregelen nemen:

  • a. de toegang tot door partijen of derden ingediende documenten die het bedrijfsgeheim of het vermeende bedrijfsgeheim bevatten geheel of gedeeltelijk beperken tot een gelimiteerd aantal personen;
  • b. de toegang tot zittingen waar het bedrijfsgeheim of het vermeende bedrijfsgeheim openbaar kan worden gemaakt, en de toegang tot het proces-verbaal van deze zittingen of de beeld- of geluidsopname en de schriftelijke weergave daarvan geheel of gedeeltelijk beperken tot een gelimiteerd aantal personen;
  • c. een niet-vertrouwelijke versie van de rechterlijke uitspraken ter beschikking stellen aan anderen dan degenen die tot het gelimiteerd aantal personen bedoeld onder a en b behoren, waarin de delen die het bedrijfsgeheim bevatten, zijn geschrapt of bewerkt.

Welke maatregel de rechter neemt, zal afhankelijk zijn van de evenredigheid van de maatregel, de rechtmatige belangen van partijen en derden, en de mogelijke schade voor één van de partijen en derden als gevolg van het toe- of afwijzen van de maatregel. Het aantal personen dat kennis neemt van de informatie of de zitting is echter altijd minimaal één natuurlijk persoon van elke partij alsmede de advocaten of andere vertegenwoordigers van partijen bij de procedure.